| Turntechnieken |
 |
Reeds
in de beginfase van het leren-turnen moeten elementen aangeleerd worden, die
nuttig en waardevol zijn voor de toekomst. Deze bewegingen noemen we elementen.
Veel turnbewegingen lijken op elkaar. Elementen die op elkaar lijken rekenen
we tot een groep. Bijvoorbeeld de groep van de overslagen. Hieronder treffen
jullie diverse oefeningen aan, met daarbij animaties.
Veel plezier!!!
 |
De Handstand
De
handstand moet in eerste instantie met een gestrekt lichaam geturnd
worden, omdat het met een gestrekt lichaam gemakkelijker is om lengteas
draaien toe te voegen.
Het
reguleren van het evenwicht moet vooral door de vingers gebeuren, omdat
de reactie van de vingers sneller en subtieler is dan die van de schoudergordel.
Vanuit de praktijk is bekend dat je via extra lichaamsbewegingen een
herstel van de stabiliteit van de handstand kunt bereiken. Als een turner
bijv. het evenwicht naar voren verliest, dan moeten de schouders snel
teruggebracht worden. Soms lukt het herstellen alleen maar door de handen
te verplaatsen. |
Van
goed evenwicht is sprake bij die gymnast die niet of nauwelijks het
evenwicht verliest, maar ook bij diegene die het evenwicht snel herstelt.
Naar boven |
 |
De
Arabier
Een arabier moet als beginsprong van een acrobatische serie voldoende
snelheid opleveren. De eindhouding van de arabier is de ideale starthouding
voor andere acrobatische sprongen (zoals de flik-flak of salto's).
In de arabier is de kurbetactie (hol-bol of bol-hol) belangrijk. Bij holle
en bolle houdingen is het lichaam "verkort". In de laatste fase van de
arabier zit die hol-bol actie 'verstopt' (zoek hem maar in de animatie).
|
Het juist uitvoeren van de kurbet zorgt voor een ideaal lijnenspel (=segmentatie)
en een perfect ritme van de beweging.
In de opbouw van de arabier staat de kurbet training centraal. De opbouw
verloopt van hoog naar laag (landingshulp) en van zachter afzetten (bijv.
opblaasbare tumblingbaan) naar harder afzetten (tumblingbaan).
Naar boven |
 |
De
Overslag
De overslag heeft een uitstraling naar het steunspringen, steunzwaaien,
de streksalto's voorover en een ander element van de voorwaartse acrobatiek:
de flak-flik. De beweging komt de laatste jaren meer in beeld, omdat er
veel meer voorover "getumbeld" wordt. Het probleem van de sprong ligt
in de eindfase. De spring(st)er moet zo uitkomen dat er doorgesprongen
kan worden.
Profilerend in de sprong is een eindfase waarin de spring(st)er op de
voorvoeten en gespannen hol 'kaatsend' uitkomt. |
|
|
 |
De
Flik-Flak
De flik-flak is een stokoude
acrobatische sprong: "een flik geeft een kick!". In het huidige acrobatische
springen is de flik-flak een "dienstelement". Het staat ten dienste van
bewegingen die ervoor of erna gesprongen worden. De salto na een flik-flak
is bijv. sterk afhankelijk van de uitvoering van de flik-flak. Omdat de
saltovormen steeds moeilijker worden, is de technische uitvoering van
de flik-flak ook steeds belangrijker geworden. |
Daarnaast
biedt de flik-flak zelf mogelijkheden om verder te profileren. Duidelijk
is bijvoorbeeld de relatie naar de tempo-salto. Belangrijk in de flik-flak
is de hol(flik)-bol(flak) beweging.
Naar boven |
 |
De
salto voorover
Belangrijkste exponent van voorover springen is de salto voorover.
Er zijn drie verschillende arm voeringen:
Geen armopzwaai
De armen zijn hoog op het moment van de afzet naast de oren. Hierbij
vindt geen armzwaai plaats die de hoogte kan beïnvloeden. Dit is nodig
om verbindingen te trainen zoals overslag + salto. |
Net voor het hoogste punt worden de armen snel naar beneden gebracht waardoor
de schouders naar de vloer worden gedrukt. De handen pakken rond de benen
en zorgen daarmee voor een compacte hurk- of hoekhouding.
De Russische armopzwaai
De armen worden tijdens de afzet naar voor-hoog opgezwaaid. Hierdoor
ontstaat extra hoogte. Voor beginners gemakkelijk te trainen. Doordat
de armopzwaai afgeremd wordt, komen de heupen sneller over de schouders.
Hierdoor kan eerder en op een hoger punt begonnen worden met het strekken
voor de landing.
De Japanse armopzwaai
De armen worden tijdens de afzet naar achter-hoog opgezwaaid. Hierdoor
ontstaat extra hoogte. Deze armzwaai wordt gemakkelijk geremd door de
anatomische bouw van de schouder. Ook nu vindt na ongeveer 3/4 salto strekking
plaats voor het opvangen van de landing. Deze salto is geschikt voor het
tumblingspringen als startsprong.
Naar boven
|
 |
De
salto achterover
Het belangrijkste profielelement binnen de familie van de salto's achterover
is de salto gestrekt.
De beweging is coördinatief eenvoudiger dan de salto gehurkt. In de animatie
zien we de volgende accenten: de afzet wordt ingezet door een felle heupstrekactie
en het openen van de arm-romphoek. De spring(st)er blijft door heupstrekking
licht overstrekt tot de verticale lijn is bereikt.
Daarna worden de armen aangevoerd (voorlangs) naar de heupen. Er ontstaat
een afgevlakte houding door een bolle vormspanning. De landing tot stand. |
|
|
 |
De
reus voorover
De reus voorover komt in het turnen in vele varianten en combinaties voor.
Technische accenten van de reuzendraai voorover:
- vanuit handstand in ondergreep maximaal uitduwen - iets overstrekt vallen |
|
-
tegen de stok blijven duwen (snelheid opbouwen)
-
afhoeken in heupen, om vlak langs lage ligger te zwaaien
- Het hoofd blijft tussen de armen
- Opzwaai: als het lichaam iets gehoekt de verticale lijn is gepasseerd,
worden de hielen naar boven geschopt en het lichaam overstrekt (slingerverkorting).
Daarna ompolsen en van overstrekte - naar gestrekte positie komen.
Naar boven
|
 |
De
reus achterover
De reus achterover komt in het turnen in vele varianten en combinaties
voor.
Technische accenten van de reuzendraai achterover:
Neerzwaai: Van uit de handstand maximaal uitduwen en laten vallen
met gestrekt lichaam.Daarna in de heup afhoeken om de lage ligger te passeren.
Benen daarna naar de vloer 'steken' om zwaaiverlenging te krijgen. |
Opzwaai:
Onder de ligger licht overstrekt. Daarna volgt een felle opschop
van de benen. Kijk naar je eigen opschopbeweging.
In de laatste fase volgt het ompolsen van de handen en het strekken naar
handstand.
De basisslinger loopt van handstand naar handstand (probeer te springen
van de stok). De temposlinger gaat niet door handstand. De slinger kent
een enorme verkorting waardoor afsprongen en vluchtelementen gemakkelijker
uitgevoerd kunnen worden.
Naar boven |
 |
De
kip
Op veel toestellen is de kip het 'ei van Columbus' om van hang naar steun
te komen.
Zo wordt het kippen aan de rek of brug ongelijk, gevolgd door een opzwaai
waardoor andere bewegingen (buikdraaien, handstand,etc.) tot de mogelijkheden
behoren. De kip opent de weg naar ruimtelijk turnen.
Technische accenten:
bekken achterover gekanteld houden tijdens afhoeken voor de vloer; |
arm-romphoek
in de aanzweef volledig openen; eerst de heupen strekken en dan pas invouwen;
snel invouwen en daarna vanaf de voeten de benen langs de stok schuiven.
Armen duwen de stok actief naar beneden; de heuphoek fixeren en doordraaien
naar de eindhouding.
Let wel: de eindhouding van de kip is de beginhouding van de opzwaai.
Altijd de kip oefenen met de opzwaai, zodat men direct leert goed
te steunen op de stok. De armen mogen tijdens de overgang van de kip naar
de zwaai niet gebogen worden.
Naar boven |
 |
De
kringflank
Bij het kringflanken draait het lichaam in een ellipsvormige baan om het
ophangpunt.
Het ophangpunt is in dit geval de schoudergordel. De schoudergordel is
niet een vaststaand punt, maar draait eveneens in het rond, zij het met
een halve cirkel verschil. Dit betekent dat de schouders achter zijn als
de benen voor zijn, de schouders links zijn als de benen rechts zijn etc. |
Via deze manier wordt iedere actie van de benen gecompenseerd door een
tegenactie van de schouders. Kringflanken is zwaaien. Dat betekent dat
ook hier sprake moet zijn van het zwaaiprincipe slingerverlengen-slingerverkorten.
Slingerverlengen is mogelijk door het lichaam licht te overstrekken en
slingerverkorten door licht af te vlakken. Er is sprake van voortdurend
wisselen van een overstrekte naar een rechte/afgevlakte positie. De heupen
maken een kurbet aktie. Het bovenlichaam verandert niet van houding tijdens
het flanken. Het blijft afgevlakt/rond.
Naar boven |
|