Turntechnieken

Reeds in de beginfase van het leren-turnen moeten elementen aangeleerd worden, die nuttig en waardevol zijn voor de toekomst. Deze bewegingen noemen we elementen. Veel turnbewegingen lijken op elkaar. Elementen die op elkaar lijken rekenen we tot een groep. Bijvoorbeeld de groep van de overslagen. Hieronder treffen jullie diverse oefeningen aan, met daarbij animaties.
Veel plezier!!!

Handstand Arabier Overslag Flik-Flak Salto voorover
Salto achterover Reus voorover Reus achterover Kip Kringflank
Vrije sprongen  
Animaties: Joop Schweigmann, bron: turnschool Heerenveen

De Handstand
De handstand moet in eerste instantie met een gestrekt lichaam geturnd worden, omdat het met een gestrekt lichaam gemakkelijker is om lengteas draaien toe te voegen.
Het reguleren van het evenwicht moet vooral door de vingers gebeuren, omdat de reactie van de vingers sneller en subtieler is dan die van de schoudergordel. Vanuit de praktijk is bekend dat je via extra lichaamsbewegingen een herstel van de stabiliteit van de handstand kunt bereiken. Als een turner bijv. het evenwicht naar voren verliest, dan moeten de schouders snel teruggebracht worden. Soms lukt het herstellen alleen maar door de handen te verplaatsen.
Van goed evenwicht is sprake bij die gymnast die niet of nauwelijks het evenwicht verliest, maar ook bij diegene die het evenwicht snel herstelt.
Naar boven



De Arabier
Een arabier moet als beginsprong van een acrobatische serie voldoende snelheid opleveren. De eindhouding van de arabier is de ideale starthouding voor andere acrobatische sprongen (zoals de flik-flak of salto's).
In de arabier is de kurbetactie (hol-bol of bol-hol) belangrijk. Bij holle en bolle houdingen is het lichaam "verkort". In de laatste fase van de arabier zit die hol-bol actie 'verstopt' (zoek hem maar in de animatie).
Het juist uitvoeren van de kurbet zorgt voor een ideaal lijnenspel (=segmentatie) en een perfect ritme van de beweging.
In de opbouw van de arabier staat de kurbet training centraal. De opbouw verloopt van hoog naar laag (landingshulp) en van zachter afzetten (bijv. opblaasbare tumblingbaan) naar harder afzetten (tumblingbaan).

Naar boven


De Overslag
De overslag heeft een uitstraling naar het steunspringen, steunzwaaien, de streksalto's voorover en een ander element van de voorwaartse acrobatiek: de flak-flik. De beweging komt de laatste jaren meer in beeld, omdat er veel meer voorover "getumbeld" wordt. Het probleem van de sprong ligt in de eindfase. De spring(st)er moet zo uitkomen dat er doorgesprongen kan worden.
Profilerend in de sprong is een eindfase waarin de spring(st)er op de voorvoeten en gespannen hol 'kaatsend' uitkomt.



De Flik-Flak
De flik-flak is een stokoude acrobatische sprong: "een flik geeft een kick!". In het huidige acrobatische springen is de flik-flak een "dienstelement". Het staat ten dienste van bewegingen die ervoor of erna gesprongen worden. De salto na een flik-flak is bijv. sterk afhankelijk van de uitvoering van de flik-flak. Omdat de saltovormen steeds moeilijker worden, is de technische uitvoering van de flik-flak ook steeds belangrijker geworden.
Daarnaast biedt de flik-flak zelf mogelijkheden om verder te profileren. Duidelijk is bijvoorbeeld de relatie naar de tempo-salto. Belangrijk in de flik-flak is de hol(flik)-bol(flak) beweging.
Naar boven




De salto voorover
Belangrijkste exponent van voorover springen is de salto voorover.
Er zijn drie verschillende arm voeringen:
Geen armopzwaai
De armen zijn hoog op het moment van de afzet naast de oren. Hierbij vindt geen armzwaai plaats die de hoogte kan beïnvloeden. Dit is nodig om verbindingen te trainen zoals overslag + salto.
Net voor het hoogste punt worden de armen snel naar beneden gebracht waardoor de schouders naar de vloer worden gedrukt. De handen pakken rond de benen en zorgen daarmee voor een compacte hurk- of hoekhouding.
De Russische armopzwaai
De armen worden tijdens de afzet naar voor-hoog opgezwaaid. Hierdoor ontstaat extra hoogte. Voor beginners gemakkelijk te trainen. Doordat de armopzwaai afgeremd wordt, komen de heupen sneller over de schouders. Hierdoor kan eerder en op een hoger punt begonnen worden met het strekken voor de landing.
De Japanse armopzwaai
De armen worden tijdens de afzet naar achter-hoog opgezwaaid. Hierdoor ontstaat extra hoogte. Deze armzwaai wordt gemakkelijk geremd door de anatomische bouw van de schouder. Ook nu vindt na ongeveer 3/4 salto strekking plaats voor het opvangen van de landing. Deze salto is geschikt voor het tumblingspringen als startsprong.

Naar boven



De salto achterover
Het belangrijkste profielelement binnen de familie van de salto's achterover is de salto gestrekt.
De beweging is coördinatief eenvoudiger dan de salto gehurkt. In de animatie zien we de volgende accenten: de afzet wordt ingezet door een felle heupstrekactie en het openen van de arm-romphoek. De spring(st)er blijft door heupstrekking licht overstrekt tot de verticale lijn is bereikt.
Daarna worden de armen aangevoerd (voorlangs) naar de heupen. Er ontstaat een afgevlakte houding door een bolle vormspanning. De landing tot stand.



De reus voorover
De reus voorover komt in het turnen in vele varianten en combinaties voor.
Technische accenten van de reuzendraai voorover:
- vanuit handstand in ondergreep maximaal uitduwen - iets overstrekt vallen

- tegen de stok blijven duwen (snelheid opbouwen)
- afhoeken in heupen, om vlak langs lage ligger te zwaaien
- Het hoofd blijft tussen de armen
- Opzwaai: als het lichaam iets gehoekt de verticale lijn is gepasseerd, worden de hielen naar boven geschopt en het lichaam overstrekt (slingerverkorting). Daarna ompolsen en van overstrekte - naar gestrekte positie komen.

Naar boven




De reus achterover
De reus achterover komt in het turnen in vele varianten en combinaties voor.
Technische accenten van de reuzendraai achterover:
Neerzwaai:
Van uit de handstand maximaal uitduwen en laten vallen met gestrekt lichaam.Daarna in de heup afhoeken om de lage ligger te passeren. Benen daarna naar de vloer 'steken' om zwaaiverlenging te krijgen.
Opzwaai: Onder de ligger licht overstrekt. Daarna volgt een felle opschop van de benen. Kijk naar je eigen opschopbeweging.
In de laatste fase volgt het ompolsen van de handen en het strekken naar handstand.
De basisslinger loopt van handstand naar handstand (probeer te springen van de stok). De temposlinger gaat niet door handstand. De slinger kent een enorme verkorting waardoor afsprongen en vluchtelementen gemakkelijker uitgevoerd kunnen worden.

Naar boven



De kip
Op veel toestellen is de kip het 'ei van Columbus' om van hang naar steun te komen.
Zo wordt het kippen aan de rek of brug ongelijk, gevolgd door een opzwaai waardoor andere bewegingen (buikdraaien, handstand,etc.) tot de mogelijkheden behoren. De kip opent de weg naar ruimtelijk turnen.
Technische accenten:
bekken achterover gekanteld houden tijdens afhoeken voor de vloer;
arm-romphoek in de aanzweef volledig openen; eerst de heupen strekken en dan pas invouwen; snel invouwen en daarna vanaf de voeten de benen langs de stok schuiven.
Armen duwen de stok actief naar beneden; de heuphoek fixeren en doordraaien naar de eindhouding.
Let wel: de eindhouding van de kip is de beginhouding van de opzwaai. Altijd de kip oefenen met de opzwaai, zodat men direct leert goed te steunen op de stok. De armen mogen tijdens de overgang van de kip naar de zwaai niet gebogen worden.

Naar boven



De kringflank
Bij het kringflanken draait het lichaam in een ellipsvormige baan om het ophangpunt.
Het ophangpunt is in dit geval de schoudergordel. De schoudergordel is niet een vaststaand punt, maar draait eveneens in het rond, zij het met een halve cirkel verschil. Dit betekent dat de schouders achter zijn als de benen voor zijn, de schouders links zijn als de benen rechts zijn etc.
Via deze manier wordt iedere actie van de benen gecompenseerd door een tegenactie van de schouders. Kringflanken is zwaaien. Dat betekent dat ook hier sprake moet zijn van het zwaaiprincipe slingerverlengen-slingerverkorten.
Slingerverlengen is mogelijk door het lichaam licht te overstrekken en slingerverkorten door licht af te vlakken. Er is sprake van voortdurend wisselen van een overstrekte naar een rechte/afgevlakte positie. De heupen maken een kurbet aktie. Het bovenlichaam verandert niet van houding tijdens het flanken. Het blijft afgevlakt/rond.

Naar boven



Vrije Sprongen
Hieronder vind je een paar basissprongen die je kan maken met behulp van de minitramp.
Voor alle sprongen geldt dat de afzet in de minitramp goed moet zijn: fel en actief. Dan word je sprong pas echt mooi en hoog! Dus spring ruim aan naar de minitramp, 'schop' je voeten naar voren en zwaai je armen mee omhoog. Velen kijken tijdens de rechtstandige sprongen, naar de plek waar ze gaan landen. Hierdoor buig je je hoofd wat naar voren, waardoor je met je hele lichaam voorover kan gaan duikelen. Het is dus belangrijk dat je recht vooruit kijkt, als je in de lucht zweeft.
Belangrijk tijdens de landing is dat je op je voorvoeten landt en door je knieën buigt om je gewicht op te vangen. Strek je daarna helemaal uit.
Streksprong
Helemaal gestrekt blijven in de lucht, doe je bij een streksprong.
Belangrijke punten:
Zwaai je armen recht omhoog tot net voor je oren.
Span je lichaam goed aan, als je in de lucht bent.
Benen bij elkaar houden!
Spreidsprong
De spreidsprong is bijna hetzelfde als de streksprong, alleen doe je tijdens het zweven in de lucht je benen uit elkaar en weer terug.
Belangrijke punten:
Zwaai je armen recht omhoog tot net voor je oren.
Maak je na de afzet eerst helemaal lang. Op het hoogste punt spreid je je benen snel en zo ver mogelijk.
Houd je benen recht
Hurksprong
Als je een hurksprong vanuit de minitramp maakt, hurk je op het hoogste punt in de lucht je benen snel en je maakt je daarna weer lang.
Belangrijke punten:
Zwaai je armen recht omhoog tot net voor je oren.
Maak je na de afzet eerst helemaal lang.
Op het hoogste punt trek je snel je knieën naar je borst. Je armen gaan om je knieën heen. Daarna strek je gauw weer uit.
Spreidhoeksprong
Een spreidhoeksprong is eigenlijk het 'dubbelklappen' van je lichaam op het hoogste punt in de lucht. Je spreidt je gestrekte (!) benen omhoog en je romp draait een stukje voorover.

Belangrijke punten:
Zwaai je armen recht omhoog tot net voor je oren.
Maak je na de afzet eerst helemaal lang.
Op het hoogste punt spreid je je gestrekte benen omhoog naar je romp. Met je armen probeer je je tenen aan te raken. Daarna strek je gauw weer uit.